TOUR DU MONTE VISO
zevendaagse trektocht door de Queras

tekst en foto's: Tom Eisenburger

 

Intro

Lawaaiig klimvolk
Klos!!, klos!!, klos !!, het is 03.00 uur. Riffugio Sella Quintino. Dat deze hut aan de voet van de Monte Viso altijd veel klimmers herbergt is bekend. Dat het klimvolk er op ongezond vroege tijden op uit moet en daarbij behoorlijk wat kabaal kan produceren is een kwestie van incalculeren en je vervolgens nog eens lekker omdraaien in de stoffige dekens. Maar deze zot klost onbeschoft hard met z'n Koflachs de 100 jaar oude wenteltrap omhoog onze slaapzaal in. En om er zeker van te zijn dat echt iedereen van zijn aanwezigheid op de hoogte is begint hij een concert met pan en pollepel, kling!, kling!, kling!. Het gekanker en de verwensingen (in het Italiaans klinkt het toch net even beter) zijn niet van de lucht en Jan moet door zijn vriendin in de houdgreep worden genomen om te voorkomen dat de dronken lor met pan en al via de wenteltrap zo het Lago Grande di Viso in wordt gedonderd. Ciao!, ciao!, ciao!, zo gauw als de ongenode gast opdoemde klost hij de 3 verdiepingen weer naar beneden en kan de rust wederkeren.

 


Dag 1 Tijdens de lange klim naar Col Vieux passeren we Lac Egorgeou (2394 m.)

 

's Ochtends ligt hij nog in de eetzaal zijn roes uit te slapen op een matras. Het waarom van deze actie blijft onduidelijk. In ieder geval heeft het nachtelijke intermezzo veel indruk gemaakt op de groep Italiaanse kinderen die zich vannacht ook te pletter zijn geschrokken maar nu alweer druk gesticulerend hun eigen versie geven van de man met de pollepel.

Mist en regen
In mist en regen zijn we in Sella Quintino gearriveerd en in mist en regen vertrekken we 's ochtends vroeg weer richting riffugio Giacoletti. Achter ons verdwijnt langzaam een lange rij kinderen, vergezeld door hun ouders en 5 zwaar bepakte ezels in de mist.

Noodweer in de Queras
Het is begin augustus 2002 en de Queras komt bij van een schok. De rivier de Guil, in de Franse Queras, heeft na een korte periode met noodweer een waar slagveld in de gelijknamige vallei achtergelaten. Ristolas, Abriès en Aiguilles, de hooggelegen dorpjes in de vallei, zijn aan een ramp ontsnapt. De woeste vloedgolf heeft de rivierbedding over een breedte van zeker 50 meter uitgesleten. Geen boom staat nog overeind, delen van de weg zijn verzakt of zelfs weggeslagen, bruggen liggen verwrongen op de kant gesmeten. Wat rest is nu alleen nog tonnen en tonnen aan gruis en stenen dat links en rechts in de bedding metershoog ligt opgestuwd. Door deze woestenij slingert nu een smal, lieflijk beekje...

Wennen aan het wandelen
Meteo France geeft voor de komende dagen schitterend weer op zodat we goedgemutst en dik ingesmeerd de rugzakken omgooien bij l'Echalp, de Guil passeren via een gerepareerde brug, het lariksbos inlopen en de eerste hoogtemeters van de 7-daagse Tour du Monte Viso zijn een feit. De eerste dag is altijd zwaar, het lichaam moet zich aanpassen aan de hoogte, moet zich een ander, lager ritme aanmeten, het is wennen aan de rugzak, wennen aan de inspanning van de 1200 mt lange klim naar col Vieux op 2806 mt. Zo gauw we echter na een uur of 2 klimmen het lariksbos uitlopen en de kleurige alpenweiden kunnen ruiken, de steile besneeuwde loodrechte wanden van de Monte Viso in de verte kunnen aanschouwen en de eerste gemzen in beeld hebben, is de inspanning vergeten en genieten we van de lunch in de zon aan het op 2400 mt gelegen Lac Egorgeou, onder de immense, gladde rotsplaten van de Crête de Taillante.

 


Dag 2 Naar de Col Chamoussiere.
In de verte de markante Visoletto, 3348 m., het broertje van de Viso.

 

Tour du Monte Viso
De officiele Tour du Monte Viso kan in 3 of 4 dagen worden gelopen. Via een paar hoge cols loop je een rondje om het Monte Viso-massief. De Monte Viso is veruit de hoogste top van de Queras maar bevindt zich op Italiaans grondgebied. Met zijn 3841 mt. torent hij ruim 500 meter boven de meest nabije top uit. Aangezien wij een week de tijd hebben beginnen we met een extra lus via de GR-58. Zodoende lopen we de 2e dag na een voortreffelijk ontbijt in refuge Agnel, via Col Chamoussière naar de Pic de Caramantan op 3021 mt. Deze kale, verweerde afgeplatte top biedt een prachtig panorama op de toppen van de Queras, de Ecrins, de Mercantour en Piemonte. Ondanks het zonnige weer waait het verschrikkelijk hard en dalen we snel af naar de pitoreske private refuge de la Blanche, mooi gelegen aan het gelijknamige meer op 2500 mt. in een kom onder de Tête de Toillies.

Vol en gezellig
"Organisation, organisation..." luidt het motto van de op zich zeer 'coole' eigenaar die enigszins in de hippietijd is blijven hangen. Toch vereist de gang van zaken rond het avondeten inderdaad enige discipline; de hut is zo klein dat er in 3 etappe's aange-schoven moet worden. Wij maken deel uit van de 2e shift en nadat de eigenaar de 1e naar buiten dirigeert krijgen wij toestemming om het knusse eetkamertje te betreden. Tezamen met een ander groepje uitverkorenen zit de kamer propvol waardoor de keukenhulp ons niet rechtstreeks vanuit de keuken, maar via de bar en de veranda, door een kier in de buitendeur de soeppan aangeeft. Onder het genot van een haardvuur en wat flessen wijn (waarvan 1 geschonken door de baas) genieten we na van een prachtige dag en laten het ons goed smaken. De sfeer is goed en het blijft nog lang gezellig. Na een bezoek aan het 100 mt verder gelegen 'toilet rustique' slapen we in op de klanken van de 3e shift, die pal naast het dortoir de ene franse chanson na de andere ten gehore brengt, begeleid door de gitaar spelende kok.

 

Over de grens met Italië

's Ochtends hangt de bewolking laag en de Col de la Noire, ons eerste doel op 2950 mt. doet haar naam eer aan. De mist, in combinatie met het gitzwarte gesteente, maakt de sfeer sinister. Het is windstil en we lopen de bewolking in, het blikveld beperkt zich tot 10, 20 meter, concentreren op de ademhaling, een uur geklommen, bijna in trance, waar is de rest, even stilstaan, een bonkende hatslag is het enige wat je hoort, pas op het evenwicht, in de verte (of is het dichtbij?) het gedempte tikken van wandelstokken op de rotsen, 35e haarspeldbocht gerond, dan een paal met een bordje, de col, een klein plateautje, geen sensatiegevoel, nodigt niet uit tot een pauze, meteen maar afdalen richting col Longet.

 


Dag 4 De Monte Viso (3841 m.),
met rechts de Viso Vallanta (3781 m.)
en links de Visolotto (3348 m.),
gezien vanaf de Passo della Losetta (2850 m.).

 

Een uurtje later rusten we uit voor de lunch bij het Lac de Longet op 2650 meter. We zitten weer onder de bewolking en hebben nu enig zicht. We dalen verder vanaf Col Longet en passeren de grens met Italië. Lac is nu lago en een col is nu passo, maar de Viso blijft de Viso, alhoewel hij vandaag zijn gezicht verborgen houdt. We dalen via een aantal meren en langs een schitterend pad naar het dorpje Chianale, gelegen op 1850 meter. Sinds het vertrek op de 1e dag bevinden we ons weer in de bewoonde wereld, dat betekent een warme douche en eten inslaan voor de resterende vier dagen.

Steenbokken
Onder een strakblauwe hemel verlaten we Chianale, niet na eerst een paar onvervalste Italiaanse espresso's te hebben genuttigd, gevolgd door een groepsgewijze gang naar het toilet. Vandaag moet een topdag worden. Het fraaie weer belooft een prachtig zicht op de Monte Viso. De lange aanloop door de Valle di Soustra is inspannend en begeleidt door het geluid van koeiebellen klimmen we ruim 1000 mt. naar de Passo della Losetta op 2870 meter. Pas enkele meters voor de pas komt het puntje van de besneeuwde dubbeltop van de Monte Viso in beeld. En bij elke volgende stap zien we vervolgens langzaam een indrukwekkend massief opdoemen. Het is fantastisch. Vanaf de col zien we recht voor onze neus, hemelsbreed nog geen kilometer van ons verwijderd, de ruim 1000 meter hoge westwand met zijn honderden meters lange ijscouloirs en hanggletsjers opdoemen. Het topkruis op 3841 mt valt met het blote oog net te ontwaren en met de verrekijker zijn kleine bewegende stipjes te zien op de top. We lopen via een eenvoudig pad vanaf de pas nog even op en neer naar de top van de Pointe Joanne op 3052 mt. waar het panorama compleet is.

Onderweg worden we bijna omver gelopen door twee steenbokken die ons pad over de kam kruisen. Behoedzaam lopen ze dicht langs ons heen, maar met hun ruim 1 meter lange, vervaarlijk uitziende horens, zorgen we ervoor dat ze ruim baan krijgen. Het kan bijna niet mooier: in één shot zowel de Monte Viso onder een blauwe hemel met de steenbokken in beeld.

 


Dag 4 Pointe Joanna (3052 m.).
Zicht op Valle di Soustra van waaruit we omhoog zijn komen lopen.

 

Luieren op de pas
Op de pas is het goed toeven in het zonnetje. Languit liggen we in het gras, genietend van de warmte en het zicht terwijl iets onder ons een aantal jonge steenbokjes met elkaar aan het stoeien zijn. Pas tegen vijven beginnen we aan de korte afdaling naar Riffugio Vallanta op 2500 mt. hoogte gelegen, pal tegen de westwand van de Viso. Bij toeval stuiten we nog op een groot veld vol met Edelweiss en rond 18.00 uur zitten we op de trap voor de riffugio met een biertje te genieten van de laatste zonnestralen die nog net over de hoge wanden de hut raken. Na het eten, een paar uur later, is het buiten de hut al flink afgekoeld maar de top van de Viso staat nog steeds te blinken in de zon.

 


Dag 4 Afdaling van Pointe Joanna (3052 m.)
naar de Passo della Losetta.

 


Dag 4 Tijdens de afdaling naar Rifugio Vallanta
kruisen we een steenbok,
op de achtergrond de Monte Viso.

 


Dag 4 Onder de Visoletto door
naar Rifugio Vallanta.

 

Door regen en mist over steen en gruis

Via de riffugio Sella Quintino, genoemd naar de oprichter van de Italiaanse Alpenvereniging (CAI) en formeel eerste beklimmer van de Monte Viso in 1862, lopen we de zesde dag door regen en mist naar de riffugio Giacoletti, hoog gelegen op 2739 mt. Het is 5 graden. De Po-vlakte, die we gisteren op weg naar Sella af en toe bij een opklaring bijna 2500 meter lager konden zien liggen, ligt nu diep verscholen. De afdaling loopt over een oude gletsjermorene steil naar beneden richting Pian del Re waar zich de bronnen van de Po bevinden. De gletsjers zijn inmiddels verdwenen uit dit deel van de Alpen maar de sporen die ze hebben achtergelaten zijn overduidelijk aanwezig. We dalen op een gegeven moment langs de gletsjerbreuk, een enorme dijk van stenen en gruis en komen uit bij Lago Chiaretto. Vanaf dit meer buigen we af en gaan weer klimmen naar riffugio Giacoletti. Heel af en toe vangen we een glimp op van de zeer nabije wanden van de Viso maar de dikke wolkensluiers komen telkens in nieuwe golven aanwaaien. Is dit nu de 'nebbia' ? De beruchte mist die in de zomer veelvuldig aan de oostzijde van het massief ontstaat door de aanvoer van warme lucht vanaf de Po-vlakte?

Op een schrijfbord aan de muur van riffugio Giacoletti is een tekst aangebracht: "Wegens aanhoudend slechte weersvoorspelling is de staf van Giacoletti vertrokken naar de Antillen". Grapje. De hele familie van de beheerder blijkt zelfs aanwezig te zijn, zijn vermoeid ogende vrouw die continu op de vier kinderen moet letten, waaronder een baby van een paar maanden, en zelfs opa en oma zijn van de partij. Een gezellige janboel. We banen ons een weg door het speelgoed en warmen ons op bij de houtkachel, naast een knus droogrek waar het ondergoed van de gehele familie inmiddels aan het gaar stoven is.

De tocht vanaf Sella Quintino naar Giacoletti is vrij kort en we waren dus rond een uur of twee al gearriveerd. Dit stelde ons in staat om met een paar man, en na een paar flessen wijn, in de namiddag de eventuele route voor de laatste dag van de tocht te verkennen. Pal achter de hut kun je namelijk via de Col du Couloir du Porc de vallei van de Guil weer bereiken. Een steil, met kabels en kettingen gezekerd couloir dat normaal gesproken voor wandelaars geen probleem hoeft op te leveren. Halverwege, na een 100 mt. te hebben geklommen, besluiten we echter dat de omstandigheden voor onze relatief onervaren groep niet optimaal zijn. Het is te glad en te steil om met een gerust hart morgen deze passage te nemen. Dat betekent dat de laatste dag voor plan B wordt gekozen, oftewel de Buco del Viso, de 1e Alpentunnel uit de geschiedenis van de Alpen. Aangelegd in 1475 (!) onder Ludwig II van Saluzzo en gelegen op 2882 mt. hoogte onder de Col de Traversette.

 


Dag 7 Door resten sneeuw steil naar beneden
vanaf Rifugio Giacoletti.

 

Over de sneeuw

's Ochtends is het behoorlijk koud, een dun laagje poedersneeuw ligt op de rotsen. Via een steile afdaling, deels over sneeuw, staan we op ongeveer 2500 mt plots voor een splitsing, De afslag staat niet op onze kaart maar volgens een bord leidt het pad wel naar de Col de Traversette. (Later blijkt dit het Sentier de facteur te zijn dat wel op de Italiaanse kaarten is aangegeven). We kiezen voor deze afsteker die redelijk de hoogtelijnen volgt van een behoorlijk steile wand. Gelukkig zijn ook hier af en toe op de soms zeer smalle, en door het water spekgladde, rotsrichels, kabels aangebracht voor de veiligheid. Een geruststelling is dat de afgrond door de mist niet te zien is.

Al schuifelend en met behulp van de kettingen passeren we de lastigste passages en al snel staan we weer op het hoofdpad van de Tour du Monte Viso richting de tunnel. Langs oude restanten uit de oorlog (rollen roestig prikkeldraad, bunkers, manschappen-verblijven) klimmen we verder omhoog, de mist in. Het zicht is minimaal, af en toe breekt het even open en kunnen we de wand zien waar zich ergens de ingang van de tunnel moet bevinden. Als we echter volgens de hoogtemeter op 2880 mt. hoogte zitten en dicht bij de wand, zien we helemaal niets vanwege de mist. Geen bord, geen wand, geen splitsing van het pad, geen tunnel. Er zit niets anders op dan het pad verder omhoog te volgen waardoor we alsnog op de Col de Traversette (2950 mt.) arriveren. Het is ons een raadsel.


Dag 7 Col de la Traversette in de mist (2947 m.).
Let op de inscripties,
zie hierna voor een detail
uit deze foto
.

 

Op de col, waar de inscripties uit 1756 nog steeds de grens aangeven tussen de toenmalige escartons Savoie en Piemonte, begint het weer te sneeuwen. We dalen meteen Frankrijk in richting de auto's die 1300 meter lager staan. Na een kwartiertje passeren we een nis in de wand waarin zich nog een enorme hoeveelheid sneeuw bevindt. Aangezien er duidelijk een pad naar loopt moet dit de ingang zijn van de tunnel aan de Franse zijde maar deze is dus volledig geblokkeerd. Het verklaart tevens waarom we, afgezien van de mist, de ingang van de tunnel aan de Italiaanse zijde hebben gemist. Die lag natuurlijk nog verborgen onder de sneeuwvelden die we af en toe in de wand konden ontwaren. Raadsel opgelost.

 


Let op de inscripties in de rots
van meer dan 150 jaar oud,
aanduiding van de grens tussen
de oude 'escartons' Queyras en Piemonte,
die ooit een vorm van zelfbestuur
hebben gehad.

 

Op 2000 mt lopen we de bewolking uit. En het weer wordt steeds beter. Als we weer bij de auto's aankomen in l'Echalp, is het inmiddels 20 graden en kunnen we ons afspoelen in het frisse water van de Guil, alwaar we zes dagen eerder de tocht begonnen. De Monte Viso is nog in de wolken gehuld, zoals zo vaak, maar wij hebben haar van dichtbij mogen aanschouwen, tegen een staalblauwe hemel en dat beeld zal ons nog lang bijblijven.

 

Tom Eisenburger, september 2002