TOUR DU MONTE VISO
|

|
Intro Lawaaiig klimvolk
's Ochtends ligt hij nog in de eetzaal zijn roes uit te slapen op een matras. Het waarom van deze actie blijft onduidelijk. In ieder geval heeft het nachtelijke intermezzo veel indruk gemaakt op de groep Italiaanse kinderen die zich vannacht ook te pletter zijn geschrokken maar nu alweer druk gesticulerend hun eigen versie geven van de man met de pollepel. Mist en regen
Noodweer in de Queras
Wennen aan het wandelen
Tour du Monte Viso
Vol en gezellig
Over de grens met Italië 's Ochtends hangt de bewolking laag en de Col de la Noire, ons eerste doel op 2950 mt. doet haar naam eer aan. De mist, in combinatie met het gitzwarte gesteente, maakt de sfeer sinister. Het is windstil en we lopen de bewolking in, het blikveld beperkt zich tot 10, 20 meter, concentreren op de ademhaling, een uur geklommen, bijna in trance, waar is de rest, even stilstaan, een bonkende hatslag is het enige wat je hoort, pas op het evenwicht, in de verte (of is het dichtbij?) het gedempte tikken van wandelstokken op de rotsen, 35e haarspeldbocht gerond, dan een paal met een bordje, de col, een klein plateautje, geen sensatiegevoel, nodigt niet uit tot een pauze, meteen maar afdalen richting col Longet.
Een uurtje later rusten we uit voor de lunch bij het Lac de Longet op 2650 meter. We zitten weer onder de bewolking en hebben nu enig zicht. We dalen verder vanaf Col Longet en passeren de grens met Italië. Lac is nu lago en een col is nu passo, maar de Viso blijft de Viso, alhoewel hij vandaag zijn gezicht verborgen houdt. We dalen via een aantal meren en langs een schitterend pad naar het dorpje Chianale, gelegen op 1850 meter. Sinds het vertrek op de 1e dag bevinden we ons weer in de bewoonde wereld, dat betekent een warme douche en eten inslaan voor de resterende vier dagen. Steenbokken
Onderweg worden we bijna omver gelopen door twee steenbokken die ons pad over de kam kruisen. Behoedzaam lopen ze dicht langs ons heen, maar met hun ruim 1 meter lange, vervaarlijk uitziende horens, zorgen we ervoor dat ze ruim baan krijgen. Het kan bijna niet mooier: in één shot zowel de Monte Viso onder een blauwe hemel met de steenbokken in beeld.
Luieren op de pas
Door regen en mist over steen en gruis Via de riffugio Sella Quintino, genoemd naar de oprichter van de Italiaanse Alpenvereniging (CAI) en formeel eerste beklimmer van de Monte Viso in 1862, lopen we de zesde dag door regen en mist naar de riffugio Giacoletti, hoog gelegen op 2739 mt. Het is 5 graden. De Po-vlakte, die we gisteren op weg naar Sella af en toe bij een opklaring bijna 2500 meter lager konden zien liggen, ligt nu diep verscholen. De afdaling loopt over een oude gletsjermorene steil naar beneden richting Pian del Re waar zich de bronnen van de Po bevinden. De gletsjers zijn inmiddels verdwenen uit dit deel van de Alpen maar de sporen die ze hebben achtergelaten zijn overduidelijk aanwezig. We dalen op een gegeven moment langs de gletsjerbreuk, een enorme dijk van stenen en gruis en komen uit bij Lago Chiaretto. Vanaf dit meer buigen we af en gaan weer klimmen naar riffugio Giacoletti. Heel af en toe vangen we een glimp op van de zeer nabije wanden van de Viso maar de dikke wolkensluiers komen telkens in nieuwe golven aanwaaien. Is dit nu de 'nebbia' ? De beruchte mist die in de zomer veelvuldig aan de oostzijde van het massief ontstaat door de aanvoer van warme lucht vanaf de Po-vlakte? Op een schrijfbord aan de muur van riffugio Giacoletti is een tekst aangebracht: "Wegens aanhoudend slechte weersvoorspelling is de staf van Giacoletti vertrokken naar de Antillen". Grapje. De hele familie van de beheerder blijkt zelfs aanwezig te zijn, zijn vermoeid ogende vrouw die continu op de vier kinderen moet letten, waaronder een baby van een paar maanden, en zelfs opa en oma zijn van de partij. Een gezellige janboel. We banen ons een weg door het speelgoed en warmen ons op bij de houtkachel, naast een knus droogrek waar het ondergoed van de gehele familie inmiddels aan het gaar stoven is. De tocht vanaf Sella Quintino naar Giacoletti is vrij kort en we waren dus rond een uur of twee al gearriveerd. Dit stelde ons in staat om met een paar man, en na een paar flessen wijn, in de namiddag de eventuele route voor de laatste dag van de tocht te verkennen. Pal achter de hut kun je namelijk via de Col du Couloir du Porc de vallei van de Guil weer bereiken. Een steil, met kabels en kettingen gezekerd couloir dat normaal gesproken voor wandelaars geen probleem hoeft op te leveren. Halverwege, na een 100 mt. te hebben geklommen, besluiten we echter dat de omstandigheden voor onze relatief onervaren groep niet optimaal zijn. Het is te glad en te steil om met een gerust hart morgen deze passage te nemen. Dat betekent dat de laatste dag voor plan B wordt gekozen, oftewel de Buco del Viso, de 1e Alpentunnel uit de geschiedenis van de Alpen. Aangelegd in 1475 (!) onder Ludwig II van Saluzzo en gelegen op 2882 mt. hoogte onder de Col de Traversette.
Over de sneeuw 's Ochtends is het behoorlijk koud, een dun laagje poedersneeuw ligt op de rotsen. Via een steile afdaling, deels over sneeuw, staan we op ongeveer 2500 mt plots voor een splitsing, De afslag staat niet op onze kaart maar volgens een bord leidt het pad wel naar de Col de Traversette. (Later blijkt dit het Sentier de facteur te zijn dat wel op de Italiaanse kaarten is aangegeven). We kiezen voor deze afsteker die redelijk de hoogtelijnen volgt van een behoorlijk steile wand. Gelukkig zijn ook hier af en toe op de soms zeer smalle, en door het water spekgladde, rotsrichels, kabels aangebracht voor de veiligheid. Een geruststelling is dat de afgrond door de mist niet te zien is. Al schuifelend en met behulp van de kettingen passeren we de lastigste passages en al snel staan we weer op het hoofdpad van de Tour du Monte Viso richting de tunnel. Langs oude restanten uit de oorlog (rollen roestig prikkeldraad, bunkers, manschappen-verblijven) klimmen we verder omhoog, de mist in. Het zicht is minimaal, af en toe breekt het even open en kunnen we de wand zien waar zich ergens de ingang van de tunnel moet bevinden. Als we echter volgens de hoogtemeter op 2880 mt. hoogte zitten en dicht bij de wand, zien we helemaal niets vanwege de mist. Geen bord, geen wand, geen splitsing van het pad, geen tunnel. Er zit niets anders op dan het pad verder omhoog te volgen waardoor we alsnog op de Col de Traversette (2950 mt.) arriveren. Het is ons een raadsel.
Op de col, waar de inscripties uit 1756 nog steeds de grens aangeven tussen de toenmalige escartons Savoie en Piemonte, begint het weer te sneeuwen. We dalen meteen Frankrijk in richting de auto's die 1300 meter lager staan. Na een kwartiertje passeren we een nis in de wand waarin zich nog een enorme hoeveelheid sneeuw bevindt. Aangezien er duidelijk een pad naar loopt moet dit de ingang zijn van de tunnel aan de Franse zijde maar deze is dus volledig geblokkeerd. Het verklaart tevens waarom we, afgezien van de mist, de ingang van de tunnel aan de Italiaanse zijde hebben gemist. Die lag natuurlijk nog verborgen onder de sneeuwvelden die we af en toe in de wand konden ontwaren. Raadsel opgelost.
Op 2000 mt lopen we de bewolking uit. En het weer wordt steeds beter. Als we weer bij de auto's aankomen in l'Echalp, is het inmiddels 20 graden en kunnen we ons afspoelen in het frisse water van de Guil, alwaar we zes dagen eerder de tocht begonnen. De Monte Viso is nog in de wolken gehuld, zoals zo vaak, maar wij hebben haar van dichtbij mogen aanschouwen, tegen een staalblauwe hemel en dat beeld zal ons nog lang bijblijven.
Tom Eisenburger, september 2002
==> voorpagina van dit verslag
|